Posts tonen met het label andere dichters. Alle posts tonen
Posts tonen met het label andere dichters. Alle posts tonen

vrijdag 18 september 2009

Oude kustlijn



Afscheid en zuiverheid

Gisteren nam ik afscheid van een aantal collega's. Het voelde helemaal niet als afscheid, omdat juist die mensen aanwezig waren die ik als vrienden beschouw, en met wie ik verwacht in de toekomst contact te houden. Dus het was goed. Wel was het het perfecte moment om een punt te zetten achter dertien jaar vrouwenopvang (thans Blijf Groep). In die jaren heb ik veel geleerd en iets kunnen betekenen voor kinderen en vrouwen die met huiselijk geweld te maken hebben gehad, en voor collega's.

Eén van die collega's gaf me 'De oude kustlijn,' de bundel van Vasalis die haar kinderen na haar dood uitbrachten. Achterin (pag.65) staat:

De titel heeft ze ons ooit zelf genoemd. Ze vertelde dat haar vader vroeger tijdens een strandwandeling wees op een vlucht vogels boven de zee: 'Die volgen de oude kustlijn.'

Mijn collega vergeleek mijn invloed op het team met die oude kustlijn. Een mooi beeld, een troostende gedachte. En een groot compliment. Laat de vogels vliegen! Mogen zij in vrijheid en vertrouwen dit taaie en belangrijke werk blijven doen.

Een gedicht uit de bundel, zonder titel, pag. 10:


Wat gaf ik vroeger veel om zuiverheid.
Wat dacht ik dat het was?
Nuchter, met blote voeten waden door fris gras.
Strandwandeling. Mager zijn. En politiek
zeer links. Verboden was lyriek.
Toekomstgedachten had ik niet
en heb ik sindsdien nooit gekregen
goddank, en had ik geen herinnering
dan was ik nog zo schoon als regen
en even drinkbaar, lieveling.

M. VASALIS, uit: De oude kustlijn , van Oorschot 2002

Met dank aan Anneke Umans

vrijdag 21 augustus 2009

Hoe nu verder



Ik ga groepen opzetten onder het thema "Dicht je heel". Zie ook het gelijknamige gedicht van 4 juni jl. Ter voorbereiding hierop zoek ik voorbeelden van poëzie, waarin van lijden en andere ervaringen iets moois, ontroerends is gemaakt. In de verzamelbundel "Doen en laten" van Judith Herzberg zitten vele strookjes bij gedichten die me bij eerste lezing raakten. Nu ik er weer doorheen ging, kwam ik onderstaand gedicht tegen:

EERST KOMT HET WACHTEN

Eerst komt het wachten, het verheugen,
leunend tegen lage muurtjes,

dan komt het voorgevoel van
hoe-nu-verder

daarna het hoe-nu-verder
zelf.

(oorspronkelijk uit: Zoals - 1992)

Het deed me sterk denken aan een van mijn kortste gedichten:

Doel

…bereikt

en nu?

Verder.

Dus


(20-10-2007)

Ik zal in de komende tijd vaker met voorbeelden komen van gedichten uit mijn archief. En de lezer op de hoogte houden van de vorderingen van project "Dicht je heel". Hiervoor komt een aparte website.

donderdag 30 juli 2009

Schrijven, alleen en met anderen



Floor Buschenhenke, een andere dichteres uit Amsterdam Noord (die ook workshops geeft) raadde mij het boek "Writing alone and with others" van Pat Schneider aan. Het bestaat al sinds 2003, maar ik kende het nog niet. Het behelst de zogenaamde 'Amherst methode' voor schrijfonderwijs. Ik heb het boek meteen besteld en ben er in begonnen. Wat een verademing!

De methode staat haaks op de manier van leren die ik in een andere cursus tegenkwam. Ik voelde me daar het slachtoffer van genadeloze kritiek, die met veel plezier en de botte bijl uitgedeeld werd. Dergelijke kritiek ben ik in het verleden ook als kunststudent tegengekomen. Een opvatting van leren is studenten 'hard' maken. Zoals een docent schilderen zei: "Later krijg je nog veel hardere kritiek te verduren". Misschien werkt deze methode voor sommigen, maar niet voor mij. En ik weet zeker dat vele gevoelige en fijn-/kunstzinnige zielen hiermee nodeloos gekwetst en ontmoedigd worden.

Wat een klein of groot mens ook leert, het is veel belangrijker om het goede te benadrukken en aan te moedigen; degene die iets leert op zijn/haar unieke kracht en kenmerken te wijzen; naast iemand te staan in het proces van ontdekken, experimenteren en creëren. Een basisprincipe uit de psychologie leert dat belonen vele malen beter werkt dan straffen. Met belonen bedoel ik in dit verband aanmoedigen, met straffen: afkraken. Ik kan hier nog wel een tijdje doorgaan over dit stokpaardje van me, maar ik houd het stukje blog-kort. Het boek van Schneider geeft hierover vele voorbeelden en handvatten.

Nu ik er zo mee bezig ben, merk ik dat 'leren' een belangrijk thema vormt voor mij. Niet alleen in mijn poëzie (zie 'Woorden leren' van 18 juli), maar ook in mijn loopbaan. Niet zo vreemd, aangezien ik vroeger altijd al 'juf' wilde worden en me steeds heb bezig heb gehouden met allerlei vormen van begeleiding, coaching en lesgeven. Nu ik Schneiders boek aan het lezen ben, komen er meer 'leerervaringen' opborrelen. Er zijn al twee gedichten in de maak hierover, maar ik heb me (mede op advies van Schneider) voorgenomen om gedichten wat langer te laten liggen en rijpen, voordat ik ze publiceer. Daar worden ze vast beter door.

zondag 12 juli 2009

Net geen eenentachtig - Simon Vinkenoog



Hij is er niet meer. Vorig jaar leverde ik nog een bescheiden bijdrage aan een lokaal radioprogramma voor zijn tachtigste verjaardag. Simon luisterde thuis. Mijn stoel stond op scherp: ik viel bijna van het podium. Diana Ozon ving me net op tijd op. Sterkte voor de dierbaren. Hij zal niet vergeten worden. Zie ook: windroosgedichten.


Simon in de gymzaal


Of all god-forgotten places
Spijkenisse zevenenzeventig
ik zeventien – vijf VWO

Twee dichters, Simon en Kees
lezen en signeren

Ik mocht een vraag
die ik niet meer precies weet

Wel het antwoord van Buddingh'
met een lachje: “Ja, Simon is wel
wat zweveriger dan ik.''

Festina Lente later
jurylid Simon draagt spetterend
voor: ''A poem a day keeps
the doctor away.''

TACHTIG man, KLASSE knar!

Buddingh's bundel is weg, uitgeleend
“Mij best” staat nog in de kast
nietsvermoedend meeverhuisd
gesigneerd met haastige letters:

Simon Vinkenoog
Spijkenisse
26 augustus 1977

(Amsterdam, 16 juli 2008)

vrijdag 5 juni 2009

In 'tEngels



Ach hadden wij maar een BBC...
Ach hadden wij maar zulke prachtige programma's over onze poezie...

My life in verse

Een raadselachtig, meeslepend gedicht van T.S. Eliot. Ik moet het beslist een aantal keren lezen om het verder te doorgronden. En het Italiaanse motto...?

1. The Love Song of J. Alfred Prufrock

S’io credesse che mia risposta fosse
A persona che mai tornasse al mondo,
Questa fiamma staria senza piu scosse.
Ma perciocche giammai di questo fondo
Non torno vivo alcun, s’i’odo il vero,
Senza tema d’infamia ti rispondo.


LET us go then, you and I,
When the evening is spread out against the sky
Like a patient etherised upon a table;
Let us go, through certain half-deserted streets,
The muttering retreats
Of restless nights in one-night cheap hotels
And sawdust restaurants with oyster-shells:
Streets that follow like a tedious argument
Of insidious intent
To lead you to an overwhelming question …
Oh, do not ask, “What is it?”
Let us go and make our visit.

In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

The yellow fog that rubs its back upon the window-panes,
The yellow smoke that rubs its muzzle on the window-panes
Licked its tongue into the corners of the evening,
Lingered upon the pools that stand in drains,
Let fall upon its back the soot that falls from chimneys,
Slipped by the terrace, made a sudden leap,
And seeing that it was a soft October night,
Curled once about the house, and fell asleep.

And indeed there will be time
For the yellow smoke that slides along the street,
Rubbing its back upon the window-panes;
There will be time, there will be time
To prepare a face to meet the faces that you meet;
There will be time to murder and create,
And time for all the works and days of hands
That lift and drop a question on your plate;
Time for you and time for me,
And time yet for a hundred indecisions,
And for a hundred visions and revisions,
Before the taking of a toast and tea.

In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

And indeed there will be time
To wonder, “Do I dare?” and, “Do I dare?”
Time to turn back and descend the stair,
With a bald spot in the middle of my hair—
[They will say: “How his hair is growing thin!”]
My morning coat, my collar mounting firmly to the chin,
My necktie rich and modest, but asserted by a simple pin—
[They will say: “But how his arms and legs are thin!”]
Do I dare 45
Disturb the universe?
In a minute there is time
For decisions and revisions which a minute will reverse.

For I have known them all already, known them all:—
Have known the evenings, mornings, afternoons,
I have measured out my life with coffee spoons;
I know the voices dying with a dying fall
Beneath the music from a farther room.
So how should I presume?

And I have known the eyes already, known them all—
The eyes that fix you in a formulated phrase,
And when I am formulated, sprawling on a pin,
When I am pinned and wriggling on the wall,
Then how should I begin
To spit out all the butt-ends of my days and ways?
And how should I presume?

And I have known the arms already, known them all—
Arms that are braceleted and white and bare
[But in the lamplight, downed with light brown hair!]
It is perfume from a dress
That makes me so digress?
Arms that lie along a table, or wrap about a shawl.
And should I then presume?
And how should I begin?
. . . . .
Shall I say, I have gone at dusk through narrow streets
And watched the smoke that rises from the pipes
Of lonely men in shirt-sleeves, leaning out of windows?…

I should have been a pair of ragged claws
Scuttling across the floors of silent seas.
. . . . .
And the afternoon, the evening, sleeps so peacefully!
Smoothed by long fingers,
Asleep … tired … or it malingers,
Stretched on the floor, here beside you and me.
Should I, after tea and cakes and ices,
Have the strength to force the moment to its crisis?
But though I have wept and fasted, wept and prayed,
Though I have seen my head [grown slightly bald] brought in upon a platter,
I am no prophet—and here’s no great matter;
I have seen the moment of my greatness flicker,
And I have seen the eternal Footman hold my coat, and snicker,
And in short, I was afraid.

And would it have been worth it, after all,
After the cups, the marmalade, the tea,
Among the porcelain, among some talk of you and me,
Would it have been worth while,
To have bitten off the matter with a smile,
To have squeezed the universe into a ball
To roll it toward some overwhelming question,
To say: “I am Lazarus, come from the dead,
Come back to tell you all, I shall tell you all”—
If one, settling a pillow by her head,
Should say: “That is not what I meant at all.
That is not it, at all.”

And would it have been worth it, after all,
Would it have been worth while,
After the sunsets and the dooryards and the sprinkled streets,
After the novels, after the teacups, after the skirts that trail along the floor—
And this, and so much more?—
It is impossible to say just what I mean!
But as if a magic lantern threw the nerves in patterns on a screen:
Would it have been worth while
If one, settling a pillow or throwing off a shawl,
And turning toward the window, should say:
“That is not it at all,
That is not what I meant, at all.”
. . . . .
No! I am not Prince Hamlet, nor was meant to be;
Am an attendant lord, one that will do
To swell a progress, start a scene or two,
Advise the prince; no doubt, an easy tool,
Deferential, glad to be of use,
Politic, cautious, and meticulous;
Full of high sentence, but a bit obtuse;
At times, indeed, almost ridiculous—
Almost, at times, the Fool.

I grow old … I grow old …
I shall wear the bottoms of my trousers rolled.

Shall I part my hair behind? Do I dare to eat a peach?
I shall wear white flannel trousers, and walk upon the beach.
I have heard the mermaids singing, each to each.

I do not think that they will sing to me.

I have seen them riding seaward on the waves
Combing the white hair of the waves blown back
When the wind blows the water white and black.

We have lingered in the chambers of the sea
By sea-girls wreathed with seaweed red and brown
Till human voices wake us, and we drown.

T.S. Eliot (1888–1965). Prufrock and Other Observations. 1917.

woensdag 13 mei 2009

Emily Dickinson (1830 –1886)



Bron afbeelding

Emily Dickinson (1830 –1886)

Twee eeuwen gelee
Sloot zij – zich – op
Om vrij te zijn
Roem kwam na de dood

Hartstochtelijk Niemand
Dichtte zij – dóór
Ik volg haar voorbeeld
En gooi – Trots - overboord

(Wilma van den Akker 19 juni 2005)


288

I’m Nobody! Who are you?
Are you – Nobody – Too?
Then there’s a pair of us?
Don’t tell! They’d advertise – you know!

How dreary – to be – Somebody!
How public – like a Frog –
To tell one’s name – the livelong June –
To an admiring Bog!


288

Ik ben Niemand! Wie ben jij?
Ben jij – ook – Niemand?
Ben ik dan niet alleen?
Sst! Weet je – het komt zo in de krant!

Wat saai – Iemand – te zijn!
Om als een Kikker in zijn sas –
Zijn naam te roepen – elke junidag –
Voor een bewonderend moeras!


(vert. Ivo van Strijtem; de mooiste van Dickinson; Lannoo/Atlas)

zaterdag 11 april 2009

Eva Gerlach en moed

Voor Meander schreef ik ooit een recensie van de bundel Situaties van Eva Gerlach.



Vandaag las ik haar (kinder)boek "Het punt met mij is dat ik alles kan".
Een fragment:

Het punt is dit. Moed heb je. Ik bedoel:
de een wordt aangevallen en hij vecht. Ik niet.
Ik loop naar huis en aai geen kat. Trap wat
op geen schaduw, eet niks, plak geen gat
in niemands fietsband, jaag geen zusjes op
de tafel met hun pop omdat ik zo
als geen vampier door de kamer loop,

snap je me, ik heb bij gevaar geen hoofd,
geen hart, geen leven, geen naam ook
en uit mijn binnenste verdwijnen alle
dingen die ik vet vind, rotjes knallen,
snoeken, friet, rood meisjeshaar, voetballen.

Ik ben er niet als ik word aangevallen.

----~0~----

Lezen! Voor alle grote en kleine watjes en helden


dinsdag 7 april 2009

Verse taal (gedichten van vluchtelingen)




Afgelopen zondag ging ik naar Haarlem voor een optreden van Wilma Paalman & Laduraya. Het programma heette 'verse taal' en was gebaseerd op gedichten van in Nederland wonende vluchtelingen. De meeslepende zang en muziek kan ik hier niet laten horen, maar ik kocht het boekje met cd. Een gedicht uit het boekje:

mysterie IV

je zei
je bent te ernstig
en daardoor ook zwaarmoedig

ik streef naar diepgang

dat is helder
maar wie gaat jou straks
uit de diepte halen
als je maar blijft graven?



je zei
de waarheid zijn woorden
geschreven op zand
en de zee is de tijd

ben je sneller dan golven?


Juan Heinsohn Huala, Chili


Meer over het project verse taal